Sinterklaasverhaal: Sinterklaas en de geheime deur

Sinterklaas en de geheime deur

 

 

 

 

Eindelijk weer in Nederland. Sinterklaas zucht. Vermoeid van de lange reis die hij net achter de rug heeft, steekt hij de sleutel van het grote pietenhuis in het slot. Gelukkig is de huispiet al vooruit gereisd, dus alle bedden zijn keurig opgemaakt. Het ruikt er al heerlijk naar pepernoten en erwtensoep. Ha, erwtensoep, denkt Sinterklaas, daar heb ik wel zin in.

De kookpiet zet een groot bord soep neer voor Sinterklaas. Bij de eerste hap voelt hij iets hards in zijn mond. Hij vist het uit zijn mond en kijkt er naar. “Huispiet”, roept Sinterklaas, “ik heb hier een sleutel uit de erwtensoep gevist. Weet jij waarvan die is?” De huispiet kijkt verwonderd naar de sleutel: “Ik ken alle sleutels van alle kamers in dit pietenhuis, maar deze… heb ik nog nooit gezien.”

De volgende avond staan Sinterklaas en de huispiet in de kelder van het pietenhuis. Het enige licht dat binnenkomt, is van de deur bovenaan de trap, die openstaat. In een hoek liggen wat versleten cadeautjeszakken en her en der liggen kruimels van vertrapte pepernoten.
“We hebben alle kamers en deuren gecontroleerd. Nergens past de sleutel op en deze kelder is onze laatste kans”, zegt de Sint.
“Maar ik heb u toch al gezegd dat hier alleen een kelder is. De enige deur is die daar, bovenaan de trap.” Hij wijst naar het licht.
“O ja”, zegt de Sint geheimzinnig, “wat is dat daar dan?”
Hij wijst op een kleine houten deur. De deur zit verstopt in een hoek waar het licht bijna niet bij kan komen.
“Krijg nou wat. Ik zweer het, Sinterklaas, deze deur heb ik nog nooit gezien.”
“Nou, dat komt dan goed uit, want je had de bijpassende sleutel ook nog nooit gezien”.
Sinterklaas lacht en loopt ondertussen naar de deur toe. Hij wil de sleutel in het slot steken.
“Moet u dat nu wel doen, Sinterklaas?” De stem van de huispiet trilt een beetje.
“Ik ben toch benieuwd wat hierachter zit, beste huispiet. Wees maar niet bang, want zolang we samen zijn, is er niets aan de hand.”

De sleutel past perfect. Alsof de deur net nieuw is, draait Sinterklaas de sleutel met een vloeiende beweging in één keer rond. De deurkruk heeft een ouderwetse krul en lijkt van koper te zijn. Sinterklaas pakt de deurkruk vast en duwt deze omlaag. De huispiet gaat schuin achter de Sint staan. Hij denkt, het kan wel zijn dat de Sint het niet eng vindt, maar ik vind het wel eng.
Sinterklaas trekt de deur soepel naar zich toe. Aan de andere kant van de deur is het donker. Hij loopt door de deur en de huispiet schuifelt voorzichtig achter hem aan. Eenmaal over de drempel voelt de grond zacht aan. Het lijkt alsof ze op mos en bladeren lopen. Hun ogen wennen langzaam aan het weinige licht. Opeens zien ze lange figuren staan. Ze hebben lange armen en ze lijken wel meters hoog. Ze zeggen niets, blijven stokstijf staan, maar bewegen wel met hun armen.
Net als de huispiet rechtsomkeert wil maken, horen hij en de Sint een harde klap. De deur achter hen is dichtgevallen. De huispiet rukt de sleutel uit de handen van Sinterklaas en probeert uit alle macht de deur te openen, maar de deur blijft potdicht. Er is met geen mogelijkheid beweging in te krijgen.

Vanuit het donker horen ze een grommende stem: “Die deur blijft voorlopig dicht.”
Bij de stem hoort een klein lichtje dat steeds groter wordt. De eigenaar van de stem komt dichterbij. Sinterklaas loopt langzaam op de onbekende stem af en steekt zijn hand uit. De huispiet vraagt zich af of de Sint helemaal gek geworden is, maar de hand van Sinterklaas wordt geschud door de hand van de persoon die bij de stem en het lichtje hoort.

“Hallo, ik ben Sinterklaas.”
“Dat weet ik”, zegt de stem. “Ik ben de Wolf.”
De huispiet moet zijn best doen om niet van zijn stokje te gaan. Eerst die deur, toen die grote figuren met bewegende armen en nu een wolf. Ik trek dit niet, denkt hij.
“Welkom in het sprookjesbos.” De wolf kijkt achter de Sint en ziet de huispiet trillen op zijn benen. “Wees maar niet bang, mijn beste, ik zal je niet opeten… niet vandaag.”
“Nou, dat is een hele geruststelling”. De huispiet klinkt nu een beetje boos. “En wie zijn trouwens die lange figuren om ons heen?”
“Tja, het is natuurlijk donker. Ik hoop dat jullie niet al te zeer geschrokken zijn van al die bomen.”
De huispiet voelt zich rood worden. Maar goed dat het donker is, denkt hij.
“Laten we naar een andere plek gaan om verder te praten.” De wolf begint te lopen.
“Moeten we dat nu wel doen”, fluistert de huispiet tegen de Sint.
Nog voordat Sinterklaas kan antwoorden, zegt de wolf: “Wolven hebben een scherp gehoor, dat weet je toch uit het sprookje met Roodkapje? Jullie hebben geen andere keus. De deur blijft dicht en het bos is donker en gevaarlijk om deze tijd. Bij mij zijn jullie veilig.”

Zonder verder een woord te zeggen lopen Sinterklaas en de huispiet achter de wolf aan. Na ongeveer een halfuur, komen ze bij een kasteel.
“Dat is een mooi optrekje”, zegt Sinterklaas vrolijk tegen de wolf.
“Het is helaas niet mijn kasteel, maar u kunt dit zo meteen tegen de prinses zeggen. Zij zal u ontvangen.”

Ze staan voor twee houden deuren van ongeveer drie meter hoog. Op ooghoogte hangt aan elke deur een grote koperen ring. De wolf pakt een van de ringen vast en klopt ermee op de deur. Drie doffe klappen sterven weg in de stilte van de nacht.
Na een halve minuut gaan de deuren open. Ze zien een fel licht en ze knijpen even met hun ogen. Een warme gloed drijft naar buiten en lokt de drie naar binnen. De deuren vallen met een doffe klap in het slot. De huispiet schrikt voor de zoveelste keer die avond.

Ze komen in een zaal die vol zit met dwergen, geitjes en zelfs een heks. Ineens komt er een enorm lawaai op de Sint en zijn huispiet af. Uit volle borst zingen ze Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht. Sinterklaas beweegt spontaan met zijn armen alsof hij de dirigent is. Na afloop zegt de Sint tegen de huispiet: “Zeg Piet, zorg jij voor wat pepernoten?”
De huispiet kijkt hulpeloos naar de Sint. Hij heeft toch geen strooigoed bij zich?
“O, sorry huispiet. Nou, die pepernoten houden jullie tegoed, maar met wie heb ik allemaal het genoegen?”

Uit de kleine menigte komt een mooie, jonge vrouw naar voren. Ze heeft een lange jurk aan. Haar blonde, lange haren golven als een gouden sluier om haar heen. Op haar hoofd heeft ze een kroontje.
“Hallo Sinterklaas. Welkom in mijn kasteel. De Wolf kent u al. Daar aan de linkerkant zit Roodkapje, met daarnaast Klein Duimpje. Daar ziet u de zeven dwergen en even zoveel geitjes. Aan de andere kant zit de heks. Wees maar niet bang want ze heeft een goede bui vanavond. En daar zit de fakir. Oh ja, op de binnenplaats zit de draak, want binnen was geen plek meer voor onze grote groene schubbenbuik.” De prinses wijst naar de andere kant van de ruimte. De draak steekt zijn hoofd door een enorm raam en brulde iets wat lijkt op hallo.

“Tjonge, jonge”, zegt Sinterklaas, “wat een bont gezelschap. Zeg, wat is de reden dat jullie ons door die geheime deur in onze kelder naar jullie bos hebben laten komen? En hoe werkt het eigenlijk? Het lijkt wel tovenarij.”
“Dat is het ook Sinterklaas”, zegt de prinses. “De dwergen hebben van het mooiste en oudste hout die deur getimmerd. Ze hebben ook die koperen sleutel gemaakt, waarin u zich bijna verslikte.”
“Hoe weet je dat?”, vraagt de huispiet, nog steeds een beetje boos.
“Ah, dat is het betere toverwerk. De heks heeft er voor gezorgd dat de deur in jullie kelder zichtbaar was en toegang gaf tot ons bos. Ze heeft ook de sleutel in de soep van Sinterklaas getoverd. Zoals je weet, heeft de heks een glazen bol waarin ze alles kan zien. Bijvoorbeeld dat Sinterklaas zich bijna in een sleutel verslikt, maar ook dat de huispiet stiekem van de versgebakken pepernoten snoept als niemand kijkt.”
Terwijl iedereen begint te lachen, wordt de huispiet rood tot achter zijn oren. Hij verstopt zich snel achter de brede rug van Sinterklaas.
“Kijk Sinterklaas”, zegt de prinses, “we zien als sprookjesfiguren al die gelukkige kinderen die elk jaar lekkers en cadeautjes van u krijgen. Het is ook zo gezellig om bij elkaar te zitten en liedjes te zingen. Vooral als het donker is en de wolf niet meezingt, want hij zingt me toch vals.”
De wolf kijkt beledigd naar de prinses, maar zij trekt zich daar niets van aan.
“Ik begin het te begrijpen”, zegt Sinterklaas. “Nu willen jullie ook graag pepernoten en cadeautjes?”
Iedereen kijkt verwachtingsvol naar de Sint.
“Nou Huispiet, ik denk dat we daar wel iets aan kunnen doen, denk je niet?”
“Eh, ja natuurlijk Sinterklaas.”
“Goed, dat is dan geregeld. Huispiet, help mij onthouden dat ik al deze lieverds in mijn grote boek noteer. Ja, ook de heks.”
Sinterklaas kijkt naar buiten en ziet aan de sterren dat het al diep in de nacht moet zijn.
“Beste prinses. Ik moet nu snel weer terug, maar ik ben te moe om dat hele stuk terug te lopen.”
“Daar weet ik wel iets op, Sinterklaas.” De prinses loopt naar de draak en fluistert iets in zijn oor.

Even later zitten Sinterklaas en de huispiet op de rug van de draak en vliegen door de lucht. De huispiet voelt de wind door zijn haren gaan en houdt zijn armen stevig om de middel van Sinterklaas geklemd. De baard van Sinterklaas kriebelt af en toe in het gezicht van de huispiet, vooral als de wind deze naar achteren blaast.
“Leuk hè huispiet!”, roept Sinterklaas. Huispiet zegt niets en heeft steeds zijn ogen dicht. Ze vliegen boven de bomen. Af en toe brult de draak en als de huispiet zijn handen dan op zijn oren doet, glijdt hij steeds bijna van de rug van de draak af. Snel klemt hij dan weer zijn armen om de middel van Sinterklaas.

De draak begint te dalen en even later staan ze weer bij de houten deur. Deze keer zwaait die met gemak open. Voordat Sinterklaas de kelder van het pietenhuis instapt, zwaait hij naar boven. Naar de draak die weer terug vliegt en naar iedereen die nu in de glazen bol kijkt.

 

Advertenties

Oud

 

 

 

 

 

 

Soms ben je net te laat. Dat geeft niet als je een televisieprogramma wilt zien, want tegenwoordig kun je in je televisiegids op de tv kiezen om het programma af te spelen vanaf het begin. Reuzehandig. Sinds DWDD het onzalige plan heeft uitgevoerd om al om zeven uur te beginnen, ben ik regelmatig de Sjaak om zo maar te zeggen. Deze avond ook, maar zelfverzekerd druk ik op het knopje om de tv-gids tevoorschijn te halen. Deze weigert. Fuck.

Ik denk, ik zal wel niet goed richten op de ontvanger. Regelmatig wordt de straal van de afstandsbediening naar de tv onderbroken door een bloempotje, een stapel post of een bril die net voor het ontvangende oogje van de tv is neergelegd. Wel een bril, maar geen zicht. Zoiets.

De baan is vrij, dat weet ik zeker, want ik sta op nog geen tien centimeter van de tv. Nog doet ‘ie het niet, verdorie. Wat kan er nou weer aan de hand zijn? De andere knoppen doen het wel, dus het ligt niet aan de batterij. Hartstikke leuk al die nieuwe mogelijkheden. Mensen lekker maken en dan gewoon dienst weigeren. Een rotstreek vind ik het.

Mijn zoon van negen mengt zich ook in mijn eenzijdige dialoog met de tv. Terwijl ik mijn duim blauw druk en het knopje bijna aan de onderkant van de afstandsbediening zichtbaar is, vertelt hij mij dat hij het wel kan oplossen. Met mijn eendimensionale gedachte, als je boos bent dan sta je nergens meer voor open, vermoed ik dat het hem ook niet lukt.

“Pap, laat me nou maar even, dan komt het écht goed”, zegt mijn zoon zelfverzekerd. Net als ik mijn mond opendoe, is mijn vrouw mij net voor: “laat ‘m nou maar even, voor hetzelfde geld krijgt hij het wel voor elkaar”.

Oké, oké. Schoorvoetend geef ik de afstandsbediening uit handen. Met een vingervlugheid die zelfs Hans Klok met de ogen zal doen knipperen, krijgt hij voor elkaar wat ik zo graag wil. Ik kijk hem aan met een mengeling van bewondering en frustratie. Hij wel.

Altijd ben ik meegegroeid met de nieuwste technologieën. Mij zou nooit overkomen wat de generaties voor mij wel ten deel viel: voorbijgelopen worden door jonge jochies die nauwelijks weten waar Abraham de mosterd haalt, maar wel dondersgoed weten hoe je de mosterd bemachtigt.

Mopperend en grommend bedank ik mijn ventje. Ik ga stil zitten en kijk naar DWDD: een programma voor oude mannen.

Horrorpiet

Dick Maas was in 2010 zijn tijd ver vooruit. Met zijn horrorfilm Sint joeg hij schrik aan door een werkelijke geschiedenis te vertellen van onze geliefde goedheiligman en zijn helpers. Ik kan gewoon werkelijke geschiedenis zeggen, omdat ik van mijn colleges filosofie nog weet dat er gemakkelijk parallelle werelden kunnen zijn met eigen waarheden. Dat twee waarheden zo af en toe interfereren bleek al uit de film. Nu gebeurt hetzelfde met de horrorclown en in december kunnen we rekenen op de horrorpiet.

Kennelijk is er een parallelle wereld waarin de horrorclown alomtegenwoordig is. Bassie, Pipo en Ronald McDonald zijn in die wereld, net als de Sint, in ongenade gevallen. Bassie heeft zich ontdaan van acrobaat Adriaan door het valnet te saboteren. Bassie viel door de mand toen hij boven het levenloze lichaam van Adriaan stond en met een grijns ‘Allemegraffies’ riep. Pipo bleek Mamaloe verkracht en vermoord in een bos te hebben achtergelaten en toen een hamburgerconcern eindelijk doorkreeg dat hun huisclown achter de vergiftigde hamburgers zat, is ook hij verbannen.

Het zijn verlopen types geworden die gezamenlijk de rode neuzen bij elkaar hebben gestoken en bedacht hebben dat er maar één manier is om wraak te nemen op deze maatschappij, namelijk door ’s avonds met bebloede messen op jacht te gaan en kinderen op zijn minst schrik aan te jagen en liefst nog meer…

…het is een kwestie van tijd, zeg een maand of twee, totdat de horrorpiet, na zich zes jaar schuil te hebben gehouden, opnieuw de daken en schoorstenen onveilig maakt.

Zolang deze figuren in hun parallelle wereld verblijven, is er niets aan de hand. Als echter, door welke kosmische inmenging dan ook, deze wereld met de onze interfereert, dan is het oppassen geblazen. We weten allemaal dat goed voorbeeld goed doet volgen. In het hele land zijn al de eerste copycats van Boosaardige Bassie, Creepy Pipo en Raging Ronald gesignaleerd. De politie doet het vooralsnog af met een goed gesprek, maar we weten van de rechercheur uit de film van Dick Maas dat veronachtzaming kan leiden tot vreselijke taferelen.

Natuurlijk wordt beweerd dat het allemaal is komen overwaaien uit Amerika en dat het vanzelf weer verdwijnt. Maar ja, onze Zwarte Piet zit ook al een tijdje in de hoek waar de klappen vallen en het is een kwestie van tijd, zeg een maand of twee, totdat de horrorpiet, na zich zes jaar schuil te hebben gehouden, opnieuw de daken en schoorstenen onveilig maakt.

Daar is geen film voor nodig, maar slechts een paar copycats met een verdorven geest.

Pubergedrag

phone and mounted holder in car on rural road

Blij als een kind was ik, toen ik kennis maakte met Siri. Deze moderne Kit van de Knight Rider uit de  jaren tachtig, maar dan voor de iPhone, volgde mijn verzoeken (eigenlijk zijn het bevelen, maar verzoeken klinkt zachter) zonder problemen op. Als ik verzocht mijn vrouw te bellen om haar te laten weten dat ik in de file stond, of als ik vroeg mij de huidige verkeerssituatie voor te schotelen, dan deed Siri dat zonder morren. Tot vandaag.

Op weg naar huis was ik er niet zeker van of ik op tijd thuis zou zijn. De dames moesten naar hun sportschool en zoon wil nooit mee, volkomen begrijpelijk ook, dus moest papa op tijd thuis zijn. Het verkeer had weer eens hele andere plannen. Ik kreeg terstond een Marsmaniaanse ingeving toen ik dacht: denkend aan thuis, zie ik heel veel auto’s, traag over de weg, door een oneindig lange file gaan. Dat was het moment om Siri te vragen contact te leggen met het thuisfront.

Siri had zijn dag niet of had gewoon een puberbui. Het eerste wat hij zei was dat hij mij niet begreep. Ik herhaalde mijn vraag en hij zei: ‘wie moet ik bellen’, gevolgd door: ‘die ken ik niet’, om vervolgens te eindigen met: ‘kun je je vraag nog eens herhalen’.

Siri ging als een onuitstaanbare puber stoïcijns door met mij niet begrijpen.

Intussen was ik al op stemverheffing overgegaan. Dat deerde Siri niets. Siri ging als een onuitstaanbare puber stoïcijns door met mij niet begrijpen. Dat ik thuis een puber heb rondlopen die af en toe net doet alsof ik niet besta is nog te velen, maar als je alleen in de auto zit met een elektronische versie van een irritante dertienjarige, dan begrijp ik mezelf volkomen als ik die klojo, met weidse armgebaren om mijn ongenoegen kracht bij te zetten, uitscheld voor alles wat mooi en vooral lelijk is.

Uiteindelijk kwamen we beiden bij zinnen. Siri had kennelijk genoeg van zijn onuitstaanbare gedrag en ik kwam weer tot rust toen Siri eindelijk vroeg of ik het privénummer of het mobiele nummer wilde bellen. Na mijn telefoontje beet ik hem nog wel even toe dat ik hem voorlopig even niet wilde zien en dat hij naar zijn kamer kon vertrekken. Wat hij toen zei zal ik maar niet herhalen.

Beproeving

Full-length rear view of couple applying wallpaper to wall

 

 

 

 

 

 

Nu ben ik al enige jaren getrouwd, maar de beproeving die ik afgelopen week met mijn vrouw heb doorstaan had ik nog niet eerder. Dat hoefde ook niet, want deze beproeving lieten we graag over aan anderen die dat veel beter konden dan wij. Echter, op een goed moment is de hulp op en ben je op jezelf aangewezen. Vooral als je puberdochter je achter je vodden aan zit. We hebben zelf dus maar de handschoen opgepakt met alle risico’s van dien en zijn haar kamer gaan behangen.

Je kunt samen op vakantie, samen een kind opvoeden, samen onkruid wieden, samen hetzelfde werk doen, samen van alles, maar samen behangen is de ultieme test voor elke relatie. Hoe lang deze al bestaat is niet van belang.

Het inkopen van alle benodigdheden gaat nog wel. Op verpakkingen staat wat je nodig hebt en op diverse zelfhulpsites zijn stappenplannen zat te vinden. Het wordt spannend als de eerste baan is afgeknipt, de muur is ingesmeerd met plaksel en het plakken gaat beginnen.

We hebben zelf dus maar de handschoen opgepakt met alle risico’s van dien en zijn haar kamer gaan behangen.

Wie de leiding neemt is de eerste vraag die zich aandient. Deze wordt echter niet expliciet gesteld. Omdat mijn vrouw preciezer is, maar omdat ikzelf gewend ben om leiding te geven, denken we beiden van elkaar dat deze accepteert dat de ander het voortouw neemt. We komen elkaar daarom bovenaan het keukentrapje tegen met elk dezelfde baan in handen en kijken elkaar verwonderd aan waarom de ander niet beneden staat om allerlei aanwijzingen in ontvangst te nemen.

Omdat mijn vrouw net iets venijniger kijkt dan ik, verlies ik deze slag. Enigszins uit het veld geslagen doe ik, letterlijk onder haar, precies wat zij mij opdraagt. Als de eerste baan erop zit, zie ik mijn kans schoon. Op haar vraag, met triomfantelijke blik op het eerste plakwerk gericht, wat ik van het resultaat vind, heb ik de nodige kritiek. Voorafgegaan door het woord ‘schat’, kom ik sneller in haar irritatiezone dan een mug op een blote en fantastisch met lichaamsgeur bedekte arm.

‘Jij kon op de kleuterschool al niet fatsoenlijk plakken, dus hou jij je mond maar.’

‘Noem jij dit plakken? Een blinde met twee linkerhanden krijgt het nog beter voor elkaar.’

Voordat ik het weet word ik met mij hoofd in de emmer met plaksel geduwd. In een reflex ga ik op zoek naar het snoepje dat er natuurlijk niet inzit, maar als ik happend naar adem mijn hoofd uit de smurrie trek, probeer ik haar letterlijk achter het behang te plakken door de behangborstel te pakken, deze in het plaksel te dopen, haar ermee in te smeren en een baan behang in haar gezicht te duwen.

Als we onder de lijm, verstrengeld in elkaar op de grond liggen te worstelen met een behangrol tussen ons in, horen we de stem van onze dochter.

‘Ik dacht, ik kom even kijken hoe het gaat, want ik hoorde zoveel lawaai. Zo te zien kunnen jullie goed samenwerken, maar hou dat even voor jullie zelf tot vanavond. Als dat na elke baan zo gaat, dan zijn jullie nog wel even zoet.’

We kijken elkaar aan en we besluiten dat we voor deze beproeving nog niet helemaal geslaagd zijn.

 

 

Végétarien en France

Afb. bij vegeterien en france

Ik weet niet of de titel grammaticaal correct geschreven is, maar wat ik inmiddels wel weet is dat het voor vegetariërs niet meevalt om in Frankrijk te bivakkeren. Zelfs niet voor twee weken. Mijn dochter is overtuigd vlees- en visweigeraar en ik moet zeggen dat ik vind dat ze dat heel goed volhoudt. Zeker naast twee van die carnivoren, zoon en ik, op wie menig T-rex nog jaloers zou zijn. Op zoek naar vleesvervangers in Frankrijk blijkt een queeste.

Je zou denken dat zo’n supermarché, waarvan de meeste flink groter zijn dan de XXL-supermarkten in eigen land, een compleet assortiment heeft voor elke soort eter. Een vleesafdeling waar de stapel speklappen zo hoog is dat menig varken tijdens de daad om nieuwe speklapjes te kweken al moet zijn geslacht, mag toch als tegenhanger wel enkele vegaburgers in de schappen hebben liggen.

De supermarktmedewerker die ik vroeg naar hun vega-afdeling verwees mij naar de verantwoordelijke voor de stapel speklapjes. Was mijn Frans nou zo slecht, of… Affijn, de slager keek mij aan met een blik die de vraag verried waarom ik in godsnaam al deze met vakmanschap geprepareerde heerlijkheden wilde vervangen voor zoiets onnatuurlijks als een geperste burger zonder enig spoor van vlees. Toen ik onbeholpen naar mijn dochter knikte, verwees hij me naar pad 28.

In pad 28 ligt heel veel, maar van enig vleesvervangend middel was nauwelijks sprake. Hoewel, na elk schap een keer of drie te hebben afgezocht, ontdekten we iets dat leek op een sojaburger. Wel vier verschillende smaken. Hopelijk lustte ze ze allemaal, want meer dan dit zou het niet worden.

In de friterie was het al niet anders. Dat is overigens al een fenomeen op zich. Toen wij een keertje wilde frieten en ik in de rij voor de friterie stond, zag ik dat alle campinggasten hun eigen bak meehadden om de goudgele staafjes in te laten storten. Van buiten naar binnen kijkend zag ik een vitrine. Dat was makkelijk, want aanwijzen werkt vaak toch het beste. Bij de vitrine aangekomen zag ik dat deze gevuld was met blikjes frisdrank. Van aanwijzen was geen sprake. Ik kon friet met hamburger, mosselen of gebakken schouderham bestellen. Anders niet.

Toen ik de dame van de friterie vroeg of ze ook iets voor vegetariërs had, keek ze me aan alsof ik haar zojuist in haar gezicht gespuugd had. Dat de friterie gerund werd door een paar plaatselijke grijze duiven, was direct aan de friet te zien. Een lege ballon rechtop houden ging makkelijker.

Mijn meisje kreeg die avond dus slappe friet en de andere avonden ondefinieerbare burgers. Blijmoedig kijkt ze mij elke keer aan met een geeft-niet-hoor-pap-glimlach. Ik weet niet wat erger is, een vegetarisch meisje dat in een land is dat haar niet begrijpt of die alles zeggende blik van een volhouder die een slap frietje zonder mokken naar binnen werkt.

Niet kunnen trainen op penalty’s? Astronauten doen het ook!

Astonavt with Ball in hand on the background of the Earth.."Elem

Het is weer zover. Tijdens het EK wordt druk gediscussieerd over de mogelijkheid of penalty’s te trainen zijn. Dan bedoel ik niet de technische kant. De bal neerleggen, de aanloop nemen en met een hoek in gedachten afdrukken lukt de meeste voetballers nog wel. Nee, het gaat natuurlijk over de vraag of er te trainen is op het nemen van een penalty na een verlenging, met duizenden vijandige supporters achter het doel die niets liever zien dan dat de voetballer huizenhoog overschiet, zodat zij de bal als een symbool van mislukking kunnen opvangen en juichend boven hun hoofd kunnen houden. Nou, beste voetballers en trainers: het is te trainen, maar wees een beetje creatief.

Laatst zag ik een TED-presentatie uit 2014 van de Canadese astronaut, Chris Hadfield. Hij had als negenjarig jongetje, na het zien van de lancering van een Space Shuttle, de overtuiging om ook astronaut te worden. Dat is hem gelukt. Hij is de ruimte in geweest en in zijn TED-presentatie ging het onder andere over het overwinnen van angst.

Zoals iedere astronaut maakt hij, eenmaal in de ruimte, een ruimtewandeling rond zijn schip. Wat hem gebeurde was ongelofelijk. Hij werd tijdens zijn rondgang tijdelijk blind aan beide ogen. Later is het allemaal goed gekomen, maar op dat moment heeft hij slechts één keuze: totale paniek of een afweging maken tussen de angst en het reële gevaar. Chris is voordat hij de ruimte inging op allerlei manieren getraind. Niet op de dingen die goed gaan, maar op alles wat fout kan gaan. Daarvoor is gebruik gemaakt van zwembaden voor het simuleren van gewichtloosheid, virtual reality om handelingen te simuleren en vluchtsimulaties om de vlucht zelf na te bootsen. Al deze trainingen stelden hem in staat om tijdens die onverwachte blindheid te handelen in plaats van in paniek te raken.

Terug naar het voetbal. Door veertig penalty’s achter elkaar te nemen en dan denken dat de vaardigheid voldoende is getraind is, zoals een van de voetballers had gedaan, is niet de juiste manier. Wat je wel kunt doen is tijdens het nemen van een penalty bijvoorbeeld een koptelefoon opzetten met het intense geluid van vijandig joelend en fluitend publiek. Wat ook kan helpen is dat je ploeggenoten je tijdens het nemen van een penalty uit je concentratie proberen te brengen. Bijvoorbeeld door bidons te gooien, irritante opmerkingen te maken of ze vlak naast je te laten staan en gewoon tegen je te laten schreeuwen. Desnoods neem je penalty’s in een kooi vol met slingerende apen.

Tja, beste trainers en voetballers. Chris kon niet vooraf trainen in de ruimte. Toch is het hem en al die andere astronauten met de nodige creativiteit gelukt om zich grondig voor te bereiden. Dat heeft geholpen op het moment dat het ook echt nodig was. Ga mij nou niet vertellen dat dat voor het nemen van een penalty onmogelijk zou zijn.